Van alle aspecten in de natuurfotografie spreken vogels nog wel het meest tot de verbeelding. Dat komt omdat vogels werkelijk overal aanwezig zijn. Bovendien is de variatie groot, waarmee je er fotografisch alle kanten mee op kunt.
Tuinvogels
Vogels laten zich overal zien. In een beetje groene tuin zijn zomaar 10 soorten te verwachten. Juist omdat vogels in onze tuinen komen, zijn ze erg populair. Voor het fotograferen van vogels kun je het beste in de eigen tuin beginnen. Tuinvogels zijn mensen gewend en daardoor veel minder schuw dan hun tegenhangers in de natuur. Wanneer ze een mens zien, associëren deze slimmeriken dat al snel met voer. Voer speelt een sleutelrol in het vergroten van je fotografische successen. Natuurlijk kun je een hele dag gaan wachten op dat lucky shot, maar de vogels een beetje naar je favoriete stekje dirigeren creëert natuurlijk veel meer kansen. Voer gevarieerd: pinda’s, insectenblokken, zaden, vetbollen (zonder netje!) en fruit. Uiteraard kun je de vogels direct op het voer fotograferen. Je krijgt dan echte tuinvogelfoto’s, die dan natuurlijk alle suggestie van vogels in de natuur verloren hebben. Veel vogels vliegen niet rechtstreeks op het voer af, maar gaan eerst nog op een takje zitten. Probeer de vogels daar te fotograferen. Voer je op de grond, leg het voer dan eens achter een stronkje. De vogels zullen steeds op het stronkje landen, de kans om ze op een natuurlijke manier in beeld te brengen. Met wat ondiep water in je tuin zal het aantal vogels snel toenemen. Zeker op warme dagen komen de vogels drinken en badderen. Dat geeft uiteraard weer andere mogelijkheden.
In de natuur
In de vrije natuur wordt het ineens een stuk lastiger om vogels van dichtbij te fotograferen. De vogels zijn schuw en zijn bij de minste onraad vertrokken. Toch zijn in de natuur natuurlijk ook mooie vogelfoto’s te maken. De auto vormt daarbij een handig hulpmiddel. Vogels zijn alert op menselijke vormen. Auto’s zien ze niet als een bedreiging, die zien ze immers dagelijks alleen maar voorbij rijden. Veel buizerds, grutto’s en ganzen worden op deze manier gefotografeerd. Zie je ergens een vogel zitten, rij er dan aan voorbij, keer een eind verderop om en rij rustig terug. Uiteraard heb je dan het raampje al open gedaan en de camera in de aanslag. De laatste meters laat je de auto rustig naar zijn plek rollen, met de motor uit. Je schuil houden in de vegetatie is een andere manier om vogels dichterbij de lens te krijgen. Denk hierbij aan watervogels.
Hutfotografie
Je vindt op veel plekken speciale fotohutten, doorgaans gebouwd door een fotograaf, met als doel jou een perfecte gelegenheid te bieden voor het ongestoord fotograferen van vogels. Een compleet overzicht van alle fotohutten vind je hier.
Vliegende vogels
Een vogel die op een interessante plek zit is één ding, een vliegende vogel is toch wel weer wat anders. Maak het jezelf niet meteen te moeilijk en begin met traag vliegende vogels, zoals zwanen en ganzen. Hoe kleiner de vogel, hoe groter vaak de snelheid en hoe groter de uitdaging.
Zet je camera op continu opnames (burst) en continue focus, zodat de camera blijft scherpstellen op de vogel. Hou de sluitertijd kort genoeg: 1/1000s voor traag vliegende vogels, 1/2000s of korter voor snel vliegende exemplaren. Vliegende vogels fotografeer je meestal tegen de lucht. Vergeet in dat geval niet over te belichten om je foto voldoende fris te houden en geen details in de vogel te verliezen. Zelf prefereer ik de M-stand, waarbij ik belichting en diafragma zelf in moet stellen. Het voordeel hiervan is dat de belichting niet ineens een andere kant op schiet, mocht de vogel ineens voor een boom of gebouw (donkerder dan de lucht) terecht komen.
Omgeving
Vogelfotografen hebben de neiging hun vogel zo groot mogelijk in beeld te plaatsen. Dat kan beslist indrukwekkend zijn, maar het zegt niks over de leefomgeving van de vogel. Zoom daarom ook eens wat vaker uit, zeker als de setting prachtig is.
Apparatuur
Vogels zitten altijd verder weg dan je wilt, of zijn kleiner dan je denkt. Een zo groot mogelijk teleobjectief is je dan ook beslist behulpzaam. Voor vogelfotografie geldt toch wel een minimum van 300mm. Meer is uiteraard beter. Zelf geef ik daarbij de voorkeur aan een zoomobjectief, zoals een 100-400mm of een 150-600mm, omdat je daarmee snel switcht van bijvoorbeeld een portret naar een vogel in zijn landschap.
Qua camera zijn zogenaamde crop-camera’s populair. Deze hebben een iets kleinere sensor en benutten daardoor niet het gehele beeld; ze pakken als het ware een uitsnede. Deze zogenaamde cropfactor ligt rond de 1,5. Een 400mm teleobjectief wordt daardoor ineens een 600mm. Omdat vogels snel zijn, is een camera met een snelle en nauwkeurige autofocus een must. Moderne camera’s beschikken over onderwerp herkenning en volgen vogels beter dan ooit tevoren.
Grote objectieven wegen nogal wat. Een degelijk statief neemt je dan heel wat gewicht uit handen. Is vogelfotografie je voornaamste doel, investeer dan in een goede schommelkop. Je camera hangt hier ‘los’ in, waardoor je (vliegende) vogels in een vloeiende beweging kunt volgen.
Nestfotografie
Vroeger, toen alleen nog maar langzame, logge camera’s bestonden, was de enige kans op succes, het fotograferen van nesten of op z’n minst in de buurt ervan. Wie thuis een nestkast heeft, zal beamen dat vogels al snel terugkeren naar hun jongen. Ook als je zelf in de tuin bezig bent. Ondanks dat je hiermee gegarandeerd vogels voor je lens krijgt, is het fotograferen van nesten tegenwoordig taboe. De kans op verstoring is te groot. Alle vogels zijn bij de wet beschermd. Het verstoren van nesten kan daarom (terecht) een flinke boete opleveren.